Dierenartsencentrum

"DE BRUG"

Veel voorkomende huidproblemen

 

Vlooienallergie:

Eén vlooienbeet geeft een overgevoeligheidsreactie. Dit is een allergische reactie op vlooienspeeksel. De hond of kat gaat likken en bijten voornamelijk achteraan de rug, de flanken en de achterpoten.

Door het vele likken kan een rode, natte eczeemplek al of niet met korsten en puistjes ontstaan. Dit wordt een hot spot genoemd.

Hoe kan ik dit voorkomen?

Uw huisdier preventief maandelijks ontvlooien met een pipet van bij de dierenarts of apotheker.

Bij een vlooienbesmetting is het even belangrijk de omgeving te behandelen daar de vlooieneitjes tot een jaar bij kamertemperatuur kunnen overleven. Daarbij zijn stofzuigen, wassen op 60 graden en stoomreinigen zinvol.

Behandelde dieren gaan via de haren en huidschilfers ook de omgeving vrij maken van vlooieneitjes.

 

Schimmelinfecties:

Dit is een infectie die de haren en de nagels aantast. Ze wordt ook wel ringworm besmetting genoemd omdat zeer lang geleden dokters dachten dat dit door wormen werd veroorzaakt. In de volksmond wordt dit ook wel katrienwiel genoemd. Het is de meest voorkomende huidaandoening bij de kat.

De echte wetenschappelijke naam is dermatofytose wat afgeleid is van dermatofyt wat “een op de huid woekerende schimmel” betekent.

Besmette dieren verspreiden schimmelsporen met het uitvallen van de haren en kunnen op die manier ook de mens besmetten. Vooral kleine kinderen zijn gevoelig om besmet te worden.

De huidziekte is besmettelijk zodanig dat meerdere dieren die samenleven kunnen aangetast worden.

Dit uit zich door uitvallen van haren op de kop, de poten en de staart met kale plekken die schilfer- of korstvorming geven. De letsels geven meestal weinig jeuk.

De schimmelspores kunnen opgespoord worden met een speciale lamp, de Woodse lamp ook wel genoemd. Schimmels gaan gloeien waardoor ze zichtbaar worden.

Een vachtmonster kan ook naar het labo opgestuurd om een schimmelcultuur aan te leggen. Besmette haren kunnen ook aan een microscopisch onderzoek onderworpen worden om een diagnose te stellen.

 

Risicofactoren:

- pups, kittens, oudere dieren

- raspoezen: Perzen

- verblijf in asiel, pension, cattery

- deelname aan tentoonstelling of show

- drachtige en lacterende teven of poezen

- dieren met verminderde weerstand : FIV en FELV

- warme of vochtige plaatsen

 

Atopie of omgevingsallergie:

Dit is een allergische reactie op stoffen in de omgeving zoals grassen, boompollen of huisstofmijten.

Dit kan vergeleken worden met hooikoorts bij de mens.

Het is een erfelijke aandoening die vaak voorkomt bij de volgende rassen: Boston Terriër, Boxer, Bull Terriër, Cairn Terriër, Duitse Herder, Shar Pei, Dalmatiër, Engelse Setter, Golden Retriever, Ierse Settter, Labrador Retriever, Lhasa Apso, Miniatuur Schnauzer, dwergpoedel, West Highland White Terriër, Shih-Tzu en Jack Russell Terriërs.

De allergie symptomen vangen gemiddeld aan tussen het eerste en het derde levensjaar.

De huidproblemen kunnen seizoensgebonden zijn (bij pollenallergie) of het hele jaar door (bij huisstofmijt).

Atopie bij katten komt veel minder voor.

Risico tot het ontwikkelen van atopie zou lager zijn bij honden die landelijk wonen en leven in gezinnen met meerdere andere dieren.

De jeuk situeert zich op de kop (rond de ogen, de muil, de oorschelpen), de voorpoten en de buik.

Vaak gaat dit gepaard met bijbesmettingen met gisten en bacteriën waarvan de hond extra jeuk krijgt.

De diagnose van atopie kan gesteld worden via huid- en of bloedtesten. Op basis van die resultaten kan een allergievaccin bereid worden of kan een jeukwerende behandeling ingesteld worden.

Het is hierbij zeer belangrijk een allergische hond preventief te behandelen voor vlooien en de bijbesmettingen te behandelen met antibiotica of schimmel- en gistwerende middelen.

 

 

Voedselallergie:

Elk ingrediënt uit de voeding kan een allergische reactie veroorzaken. Grootste risicofactoren zijn: rood vlees, eieren, soyaprodukten, melkprodukten en tarwegluten. Het is belangrijk dus te weten dat het ontwikkelen van een voedselallergie dus niets zegt over de kwaliteit van de voeding.

Raspredispositie is er bij de Labrador Retriever, de West Highland White Terriër, de Mopshond en de Rhodesian Ridgeback. Bij katten wordt dit vaak gediagnostiseerd bij de Abessijn.

Voedselallergie kan tot uiting komen op gelijk welke leeftijd maar komt meestal tot uiting voor de leeftijd van drie jaar.

Dit komt vaak tot uiting door steeds weerkerende oorontstekingen en jeuk voornamelijk ter hoogte van de kop (oorschelpen) en de voorpoten. Vaak gaat dit gepaard met diepe, ulcererende letsels.

 

De diagnose kan gesteld worden door een testdieet op te stellen. Dat wil zeggen dat de hond of kat voeding krijgt die hij vooraf nooit kreeg. Daarbij kan het belangrijk zijn een lijst op te stellen met voedermiddelen die het huisdier al gekregen heeft tot het optreden van de klachten. Er bestaan commerciële diergeneeskundige testdiëten ook wel hypoallergene diëten genaamd. Er kan ook gekookt worden met een nieuwe eiwitbron (paardevlees, struisvogelvlees, everzwijnsvlees,…) en een koolhydraatbron die het huisdier voordien nooit innam. Deze voedseltest dient minimum 6 weken en zeer strikt uitgevoerd te worden. Het is daarbij dus belangrijk dat iedereen van het gezin, buren, … gesensibiliseerd is zodoende dat er tussendoor niks anders gegeven wordt.

Indien de test strikt uitgevoerd wordt, treedt meestal verbetering op na 6 tot 9 weken. Hierbij is het eveneens belangrijk bijbesmettingen met bacteriën of gisten ook te behandelen en het huisdier preventief te ontvlooien.

 

Brugsesteenweg 605, 9030 Mariakerke (Gent), Tel. 09 226 68 46, Gsm 0475 27 88 96